Loading...

De nacht in de bus

De bus van Fort Portal naar Kabale vertrekt om half zeven. Half zeven ‘s avonds. Het is de enige bus. Overdag reizen kan niet. Too far, zeggen ze dan. We komen rond vijf uur aan, zegt de man die de kaartjes verkoopt. Tot nu toe kwamen we overal altijd later aan dan beloofd. In ons hoofd tellen we er een uurtje bij op.

Om zes uur zitten we klaar. Met nog een tiental Oegandezen. We zitten allemaal aan de Afrikaanse thee. Een beetje thee, veel melk, veel suiker. Met de complimenten van de busmaatschappij. Dat hadden we nog nooit meegemaakt.

Beklemmende ingewanden

De bus is een stuk minder uitnodigend. Een brullende dinausaurus met beklemmende ingewanden. Drie stoelen aan de ene kant, twee aan de andere. Nergens ruimte voor Hollandse benen. We worden helemaal voorin gezet. Met onze neus tegen de voorruit. Het lukt ons om één bankje naar achter te schuiven. Nog steeds niet de beste plek als de chauffeur in slaap zou sukkelen.

We zitten boven de schreeuwende motor. Iedereen om ons heen schreewt. Tegen elkaar of in de telefoon. Het is de enige manier om elkaar te verstaan.

Vanaf acht uur is het licht van tegemoetkomende koplampen het enige wat we zien. Het is als een horrorfilm. Je wil niet kijken, maar doet het toch. Hopelijk gaat iedereen snel genoeg naar links. Want dat is de kant waaraan je officieel moet rijden in Oeganda.

Witte waas

Het is bergachtig hier. En vochtig. Mistig. Soms zien we niks. Alleen een witte waas. We zien de snelheidsmeter van de bus. Die staat op nul. Maar we gaan zeker tachtig. We knijpen in elkaars hand.

De weg naar Kabale gaat dwars door Queen Elisabeth Nationaal Park. Een gratis nachtsafari, grappen we. We zien buffels in de berm oplichten in het grootlicht van de brullende dino. Dan zien we rode en witte lichten. Het zijn auto’s. Die achteruit rijden. Er staat een mannetjesolifant op de weg. Zijn slagtanden zijn zeker twee meter. Hij is alleen. En komt dichterbij.

De brullende dino klinkt als een bang lammetje nu we stapvoets achteruit rijden. De chauffeur klapt met zijn handen. Knippert met de lichten. Het is druk nu, voorin in de bus. Dan, eindelijk, verdwijnt de olifant in de berm. We gaan door.

Schimmen in de berm

We kunnen niet slapen. Teveel geluid. Teveel gehobbel. Toch zakken we af en toe een klein beetje weg. Maar een klap die tegen onze trommelvliezen dreunt en ons omhoogwerpt uit ons smalle bankje, maakt ons wakkerder dan een emmer koud water. We zien stenen op de weg liggen. Schimmen in de berm. De chauffeur aarzelt niet. Zijn voet blijft het gaspedaal tegen de roestende bodem van de bus trappen.

Weer vliegen we de lucht in. Iedereen praat. We verstaan het niet. Pas als de conducteur in het Engels in zijn telefoon begint te schreeuwen, snappen we waaraan we zijn ontsnapt. “Er zijn overvallers bij de brug! Ze hebben een wegversperring gemaakt! Jullie moeten komen. Nu, nu!”

Er komen lichten tegemoet. De chauffeur knippert, remt af. Maar de motorrijder rijdt door. Zo de val in. Net als de auto achter hem. Voor hen komt de opgetrommelde politie beslist te laat. Een tegemoetkomende bus stopt wel. Gewaarschuwd rijden ze door.

Donker straatje

Het is twee uur ‘s nachts als we stoppen. In een donker straatje. De conducteur begint tegen ons te schreeuwen. “Willen jullie slapen?” We moeten er niet aan denken. “Nee, nee…” De conducteur heeft haast. “Ok, dan blijven jullie in de bus.” We snappen er niks van. Zijn we al in Kabale? Een minuut later zien we motoren wegrijden. De chauffeur en de conducteur achterop.

De motor van de bus draait nog. Maar alle lichten zijn uit. We zien alleen de silhouetten van de passagiers achter ons. We zijn in Kabale. Alleen hebben we geen idee waar. We kunnen alleen maar denken aan de overvallers. Waar we net aan zijn ontsnapt.

Dan stoppen er motoren bij de bus. Er stappen mannen in. Ze praten in een taal die we niet spreken. We maken ons klein. Later stappen ze weer uit. De lichten van de motoren verdwijnen in de nacht. Dat gebeurt nog een keer. De minuten kruipen voorbij. Er zitten nog uren tussen de dag en de nacht.

Eindelijk. Eindelijk wordt het licht. Er staan weer mannen in de bus. Ze bieden aan om ons met een auto naar de grens met Rwanda te brengen. Daar willen we inderdaad naartoe. In het schemerlicht zien we hun gezichten. Een vrouw in de bus knikt naar ons dat het oké is. “Laten we gaan”, zegt een van de mannen. “Het is dag nu.” Misselijk van de slaap en de zenuwen stappen we de bus uit, de stromende regen in. Op weg naar de auto naar de grens. Waar tot onze vreugde nog meer passagiers in blijken te zitten.

Als we bij het hotel in Kigali aankomen, doen we wat we nooit doen. We vallen op bed. En slapen.

2015-06-11T16:25:33+00:00